Splitsing van prestaties bij hotel- en theaterdiensten

Onlangs hebben zowel de Hoge Raad als het Europese Hof van Justitie (HvJ) uitspraken gedaan over zogenoemde ‘samengestelde’ prestaties en of deze gesplitst moeten worden om zodoende meerdere btw-tarieven toe te passen. In deze zaken oordeelden zij dat er wel gesplitst moest worden en het verlaagde tarief beperkt van toepassing was. Wel was er een belangrijk verschil in argumentatie tussen beide.

Uitspraken Hof van Justitie

Het HvJ deed uitspraak in een drietal Duitse zaken, waarbij het in essentie ging om hoteldiensten die zijn belast tegen het verlaagde btw-tarief. De hotelgasten konden hierbij tevens gebruik maken van diverse nevenprestaties, zoals parkeren, ontbijt, Wifi en fitness-/wellnessfaciliteiten. De kosten hiervan waren bij de prijs in begrepen. Bij één van de drie ontvingen de gasten een korting indien zij geen gebruik maakten van het ontbijt. Kern van de vraag was of deze nevenprestaties voor de btw opgaan in de hoteldienst en dus delen in het verlaagde btw-tarief. Als deze nevenprestaties als zelfstandig moesten worden beschouwd, dan zou hierop het reguliere btw-tarief van toepassing zijn.

In de eerste plaats merkt het HvJ op dat sprake is van één (samengestelde) prestatie, wanneer deze bestaat uit twee of meer leveringen en diensten die “zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één niet te splitsen economische prestatie vormen zodat het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen.

Vervolgens merkt het HvJ merkt op dat toepassing van het reguliere btw-tarief de hoofdregel is en dat het verlaagde tarief hierop een uitzondering is. Dat houdt ook in dat Lidstaten bij het aanwijzen van leveringen en diensten die onder het verlaagde tarief vallen, hierop uitzonderingen kunnen maken, mits voldoende objectief en nauwkeuring kan worden bepaald welke diensten nog wel onder het verlaagde tarief vallen. Duitsland heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt, door expliciet van het verlaagde tarief voor hoteldiensten specifieke diensten uit te sluiten.

Dus, ondanks dat sprake is van één vaste totaalprijs, kunnen Lidstaten ervoor kiezen om bepaalde prestatie onder het verlaagde tarief te vallen, waarbij specifieke leveringen en diensten worden uitgezonderd, ongeacht dat deze normaliter kunnen worden gezien als nevenprestaties bij de hoofdprestatie worden beschouwd. Het HvJ verwijst de zaken terug naar de Duitse rechter om vervolgens vast te stellen, welke leveringen/diensten in dit geval als zelfstandig moeten worden beschouwd.

Hoge Raad

De zaak die voor de Hoge Raad lag, betrof een theater waar de bezoekers tijdens de pauze of na de voorstelling een ‘gratis’ drankje (evt. alcoholisch) aangeboden krijgen. Op theaterdiensten is in Nederland het verlaagde tarief van toepassing, evenals op de verstrekking van eten en drinken, met uitzondering van alcoholische dranken.

Ook de Hoge Raad begint met de opmerkingen dat 1) leveringen / diensten die normaliter als één (samengestelde) prestatie moeten worden beschouwd, niet kunstmatig uit elkaar moeten worden getrokken en 2) toepassing van het verlaagde tarief de uitzondering op de hoofdregel is en dus beperkt moet worden uitgelegd.

Vervolgens concretiseert de Hoge Raad dat het pauzedrankje weliswaar als een aantrekkelijk tussendoortje of een aantrekkelijke afsluiting van het theaterbezoek kan worden beschouwd, maar dat het daardoor nog niet als een element van het theaterbezoek kwalificeert. Dit ligt bijvoorbeeld anders voor het gebruik van een garderobe of reserveringskosten. Garderobefaciliteiten ontlasten de bezoeker van het tijdens de voorstelling bij zich moeten houden van kledingstukken en bagage en reserveringskosten bij de voorverkoop bewerkstelligen juist dat de bezoeker toegang heeft tot de theatervoorstelling. Deze handelingen vervullen volgens de Hoge Raad dan ook een wezenlijk andere functie dan het aanbieden van een drankje tijdens de pauze van de voorstelling.

Gevolgen voor de praktijk

De rode draad in deze uitspraken is dat de toepassing van het verlaagde tarief de uitzondering op de hoofdregel is en daarom beperkt moet worden uitgelegd. Sinds 1 januari jl. vallen hoteldiensten in Nederland niet meer onder het verlaagde tarief en dus onder de hoofdregel van 21% btw. Houdt dit nu in dat de verstrekking van het ontbijt ook moet worden belast tegen 21%? Wij denken dat dit niet zo’n vaart zal lopen, maar de criteria zijn er helaas niet helderder op geworden. Anders dan bijvoorbeeld bij de doorberekening van servicekosten (waarvoor specifiek beleid is afgegeven) maakt een afzonderlijke vergoeding (naar rato van gebruik) dus niet per se het verschil.


deel deze pagina
Naar het overzicht
  • Home
  • Nieuws
  • Splitsing van prestaties bij hotel- en theaterdiensten