Er is onlangs een interessante uitspraak van het hof verschenen over het vormen van een onderhoudsvoorziening. Dit nieuwsbericht gaat daar nader op in.
De situatie
Een woningcorporatie met circa 33.000 verhuureenheden, heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting 2016 een onderhoudsvoorziening van € 142,7 miljoen opgenomen. Deze voorziening is gebaseerd op planmatig (groot) onderhoud en extra onderhoud bij mutaties, zoals vastgelegd in de door haar gebruikte technische complexanalyses (TCA) en onderhoudsprognoses.
Tijdens een boekenonderzoek ontstond tussen belanghebbende en de inspecteur een principieel geschil over de voorwaarden voor het vormen van een fiscaal aftrekbare onderhoudsvoorziening. Om uitsluitend de rechtsvragen aan de rechter voor te leggen, sloten partijen in 2020 een vaststellingsovereenkomst.
Kern van het geschil in hoger beroep
Het hof beantwoorde de volgende twee vragen:
Overwegingen van het hof
Het hof verwerpt het standpunt van de inspecteur dat een onderhoudsvoorziening alleen kan worden gevormd wanneer toekomstige onderhoudsuitgaven in een bepaald jaar substantieel hoger zijn dan gemiddeld (“piekvereiste”).
Belangrijkste argumenten:
Op grond van het baksteenarrest (HR 26 augustus 1998) mag een voorziening worden gevormd als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Het Hof oordeelt dat aan deze eisen voor het vormen van een onderhoudsvoorziening wordt voldaan. Het Baksteenarrest biedt geen aanwijzing voor het stellen van een piekvereiste.
Het door de inspecteur aangehaalde arrest HR 20 augustus 1980, BNB 1981/1 ziet op de egalisatiereserve, niet op onderhoudsvoorzieningen. De egalisatiereserve is naar haar aard niet vergelijkbaar:
Ook andere door de inspecteur genoemde arresten, bieden geen aanknopingspunt dat het piekvereiste geldt voor het vormen van een onderhoudsvoorziening.
Het hof verwerpt eveneens het standpunt van de inspecteur dat alleen kosten van “niet jaarlijks voorkomend onderhoud, mits van enige betekenis” in een onderhoudsvoorziening mogen worden opgenomen.
Het criterium uit BNB 1981/1 is uitsluitend relevant voor de egalisatiereserve.
Voor de onderhoudsvoorziening geldt uitsluitend toetsing aan de criteria die geformuleerd zijn in het Baksteenarrest.
Conclusie en beslissing
Het hof verklaart het hoger beroep van de inspecteur ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Dat betekent dat voor het vormen van een onderhoudsvoorziening er geen sprake hoeft te zijn van een piek in de onderhoudskosten. De rechter geeft hiermee een antwoord op de vragen die zijn ontstaan rond het vormen van een onderhoudsvoorziening door woningcorporaties. Door de Belastingdienst en in de vakliteratuur werd het standpunt ingenomen dat om te doteren aan de voorziening groot onderhoud aan het piekvereiste moet zijn voldaan. Met deze uitspraak van het Hof die de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigde, lijkt er duidelijkheid gekomen: het is geen voorwaarde dat aan het piekvereiste moet zijn voldaan om aan de onderhoudsvoorziening te doteren. Het is nog afwachten of de Belastingdienst nog beroep in cassatie gaat aantekenen. Omdat de procedure bij de rechter was ingestoken om een antwoord op rechtsvragen te krijgen, is dat nog mogelijk.
Voor woningcorporaties en andere vastgoedbeleggers in de winstsfeer is dit een belangrijke stap richting zekerheid wanneer een voorziening voor groot onderhoud kan worden gevormd. Voor zover er nog geen onderhoudsvoorziening is gevormd, kan overwogen worden om alsnog een voorziening groot onderhoud te vormen. Op die manier kunnen opbrengsten en kosten beter worden toegerekend worden aan de periode waarop die betrekking hebben. Vanzelfsprekend denken wij hierin graag mee.
Als u vragen heeft of van gedachte wil wisselen over bovenstaande, neem dan gerust contact met ons op of onze collega Ewoud de Ruiter ([email protected]) 030 – 687 0 383.