Onlangs heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een stichting die de tuchtcolleges voor de advocatuur organisatorisch en praktisch ondersteunt, daarmee btw-belaste diensten verricht. Dat geldt ook als de vergoeding niet door de directe begunstigden van die diensten wordt betaald, maar door een derde, in dit geval de Nederlandse orde van advocaten (NOvA). De uitspraak sluit goed aan bij het arrest van het Hof van Justitie in HvJ EU, C‑744/23 [Zlakov - TPT], waarin eveneens centraal stond dat betaling door een derde niet in de weg hoeft te staan aan een dienst onder bezwarende titel.
De casus
De zaak betrof een stichting die is opgericht om de tuchtcolleges voor de advocatuur te ondersteunen. Zij werft en faciliteert onder meer griffiers en administratief personeel, organiseert zittingszalen en werkplekken, verzorgt beveiliging en catering, beheert websites en kennissystemen, publiceert uitspraken en verzorgt de persvoorlichting. Sinds 1 januari 2018 komen de kosten van de tuchtrechtspraak voor advocaten niet langer volledig voor rekening van de Staat, maar moet de NOvA deze kosten dragen. De stichting ontvangt daarvoor jaarlijks een kostendekkende bijdrage van de NOvA, gebaseerd op haar begroting.
In geschil was of deze stichting met haar activiteiten diensten onder bezwarende titel verricht en daarom ondernemer is voor de btw. De stichting stelde zich op het standpunt dat daarvan geen sprake was, onder meer omdat zij opereert binnen een sterk wettelijk gereguleerd kader, uitsluitend werkt ten behoeve van de tuchtcolleges en een algemeen belang dient. Ook meende zij dat de bijdrage van de NOvA eerder als onbelaste subsidie moest worden gezien dan als vergoeding voor belaste prestaties.
Oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad volgt dat standpunt niet. Volgens de Hoge Raad oefent de stichting haar activiteiten zelfstandig uit, omdat zij in eigen naam, voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid optreedt. Dat de tuchtcolleges de griffiers aanwijzen en ontslaan, en dat intensief overleg plaatsvindt over de uitvoering van de werkzaamheden, doet daar niet aan af. Die wettelijke inbedding neemt niet weg dat de stichting een eigen organisatorische vrijheid heeft en zelf contracten sluit, personeel in dienst heeft en een eigen begroting voert.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de stichting haar diensten verricht in het economische verkeer. Daarbij is niet doorslaggevend dat zij statutair slechts voor één afnemerskring werkt of dat haar werkzaamheden samenhangen met een wettelijk geregelde taak. Relevant is dat haar dienstverlening, bezien in samenhang, bestaat uit organisatorische en ondersteunende prestaties die naar hun aard ook op een algemene markt kunnen worden verricht. Dat sprake is van een gespecialiseerde en gereguleerde context verhindert dus niet dat sprake kan zijn van economische activiteiten.
Ook bevestigt de Hoge Raad dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen de verrichte diensten en de ontvangen bijdrage van de NOvA. De tuchtcolleges zijn de directe begunstigden van de dienstverlening en verkrijgen daarmee een identificeerbaar en concreet voordeel. De jaarlijkse bijdrage van de NOvA vormt volgens de Hoge Raad de financiële tegenprestatie voor die prestaties, mede omdat die bijdrage is afgestemd op de begroting en de verwachte werkzaamheden van de stichting. Dat de vergoeding door een derde wordt betaald en dat de activiteiten mede het algemeen belang dienen, doet aan dat rechtstreekse verband niet af.
Betekenis van HvJ EU, C‑744/23 [Zlakov]
Dat sluit nauw aan bij het oordeel van het Hof van Justitie in HvJ EU, C‑744/23 [Zlakov]. In die zaak verleende een advocaat kosteloze rechtsbijstand aan zijn cliënt, maar bepaalde de nationale wet dat de in het ongelijk gestelde wederpartij, als zij in de kosten werd veroordeeld, de advocatenhonoraria aan de advocaat moest betalen. Het Hof van Justitie oordeelde dat in zo’n situatie toch sprake is van een dienst onder bezwarende titel. Doorslaggevend is dat een rechtstreeks verband bestaat tussen de verleende rechtsbijstand en de uiteindelijk ontvangen vergoeding, ook al wordt die vergoeding betaald door een derde en is zij afhankelijk van de uitkomst van de procedure.
Met dat arrest bevestigt het Hof van Justitie nog eens dat voor btw-heffing niet is vereist dat de vergoeding rechtstreeks van de afnemer zelf afkomstig is. Evenmin is beslissend dat de betaling op voorhand onzeker is. Zolang de ontvangen vergoeding de daadwerkelijke tegenwaarde vormt voor een individualiseerbare prestatie, kan sprake zijn van een dienst onder bezwarende titel. Die lijn is duidelijk herkenbaar in het arrest van de Hoge Raad.
Gevolgen voor de praktijk
De praktische betekenis van deze uitspraak is naar onze mening breed. Organisaties die werkzaamheden verrichten in een wettelijk gereguleerde of publieke context kunnen niet zonder meer aannemen dat zij buiten de heffing van btw blijven omdat zij een algemeen belang dienen, slechts voor één afnemer of één afnemerskring werken, of worden gefinancierd door een derde partij. Als de activiteiten een concreet en individualiseerbaar voordeel opleveren voor een afnemer of begunstigde, en daartegenover een vergoeding staat die inhoudelijk met die prestaties samenhangt, ligt btw-heffing al snel in beeld.
Voor de praktijk betekent dit ook dat de kwalificatie “subsidie”, “bijdrage” of “kostendekkende financiering” niet doorslaggevend is. De fiscale beoordeling blijft afhangen van de economische realiteit: wie is de directe begunstigde, welke prestaties worden verricht en bestaat er een voldoende rechtstreeks verband tussen die prestaties en de betaling? Juist in driehoeksverhoudingen, waarbij de ene partij presteert, een tweede partij profiteert en een derde partij betaalt, is een zorgvuldige analyse daarom essentieel.