Onlangs heeft het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) prejudiciële vragen van de Hoge Raad beantwoord over de werking van de fiscale eenheid btw. Concreet: geldt de btw-vrijstelling ook als de dienst wordt verricht door een onderdeel van de fiscale eenheid dat zelf niet aan alle voorwaarden voldoet, terwijl een ander onderdeel daar wél aan voldoet?
De casus
Belanghebbende is een fiscale eenheid die bestaat uit twee stichtingen en drie BV’s. Elk lid verricht werkzaamheden in de zorg, maar slechts één stichting is formeel erkend als instelling voor het verlenen van medische zorg aan in het ziekenhuis opgenomen patiënten. Eén van de BV’s verricht alarmeringszorg, waarbij zij dag en nacht, op afstand en met gebruikmaking van diverse technische middelen, toezicht houdt op personen met een verstandelijke beperking die verblijven in een (andere) zorginstelling of een andere woonvorm waarbij zorgondersteuning wordt geboden.
Deze alarmeringszorg is vrijgesteld van btw indien die wordt verleend door een erkende zorginstelling. De BV is niet als zodanig erkend. Echter, voor de btw gelden de twee stichtingen en drie BV’s gezamenlijk als één belastingplichtige (de fiscale eenheid). Belanghebbende bepleit dan ook dat zij om die reden toch de btw-vrijstelling mag toepassen.
Oordeel van het HvJ EU
Het HvJ EU deelt dit standpunt echter niet. Toepassing van de btw-vrijstelling is een uitzondering op de hoofdregel van btw-plicht en moet daarom beperkt worden uitgelegd. Hiervoor gelden dan ook ‘strikte, subjectgebonden voorwaarden’. Deze moeten daarom per individuele dienstverlener worden toegepast.
Daarnaast is het doel van een fiscale eenheid administratieve vereenvoudiging en het voorkomen van misbruik en dus niet het uitbreiden van een btw-vrijstelling naar entiteiten die zelf niet voldoen aan de voorwaarden van de vrijstelling.
Een fiscale eenheid kan daarom alleen een beroep doen op de btw-vrijstelling als de betreffende diensten worden verleend door een groepslid dat zelf aan alle vrijstellingsvoorwaarden voldoet.
Gevolgen voor de praktijk
De gevolgen van deze uitspraak zijn naar onze mening tweeledig. Zo kan een fiscale eenheid niet een btw-vrijstelling toepassen op dienstverlening door een groepslid dat zelf niet voldoet aan de voorwaarden voor die vrijstelling (ook al doet een ander groepslid dat wel).
De btw-vrijstelling kan om dezelfde reden ook niet worden opgelegd in situaties waarin juist bewust wordt gekozen voor dienstverlening vanuit een niet-erkend groepslid. Met name in het beroepsgericht contract-onderwijs komt het geregeld voor dat het onderwijs wordt aangeboden vanuit twee verschillende groepsleden: één met CRKBO-erkenning (die het onderwijs vrijgesteld aanbiedt) en één zonder CRKBO-erkenning (die hetzelfde onderwijs btw-belast aanbiedt). Deze keuzemogelijkheid blijft voorlopig dus gewoon bestaan.