Btw op pensioenpremies: AG Ettema adviseert prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie (EU)

De discussie over de btw‑behandeling van pensioenuitvoering blijft in beweging. In haar conclusie van 15 mei 2026 adviseert Advocaat‑Generaal (AG) C.M. Ettema de Hoge Raad om een prejudiciële vraag te stellen aan het Europese Hof van Justitie. Kern van de zaak: kan de uitvoering van een pensioenregeling door een pensioenfonds worden aangemerkt als een btw‑vrijgestelde verzekeringshandeling of zou over (een deel van) de pensioenpremie btw moeten worden berekend?

Waar gaat het precies om?
Voor de verzekeringsvrijstelling geldt in de Europese rechtspraak doorgaans: tegen voorafgaande betaling van een premie verbindt de dienstverrichter zich om bij het intreden van het verzekerde risico de overeengekomen prestatie te leveren. Bij pensioenfondsen wringt het op één specifiek punt. De (oude) Pensioenwet gaat er namelijk van uit dat een pensioenfonds in beginsel niet mag werken met “geen premie = geen recht op pensioen”: de werknemer kan aanspraak op zijn pensioen behouden, ook als de werkgever niet (tijdig) afdraagt. Daardoor is het niet vanzelfsprekend of nog kan worden gesproken van “voorafgaande premiebetaling” in de betekenis die het EU‑recht voor de verzekeringsvrijstelling verlangt. 

Wat adviseert de AG? 
De AG vindt dat het antwoord op deze “premie‑voorwaarde” niet buiten redelijke twijfel vaststaat onder het EU‑recht. Daarom adviseert zij de Hoge Raad om de procedure te schorsen en het Hof van Justitie (EU) een prejudiciële vraag voor te leggen. De vraag komt, kort gezegd, neer op: is aan het vereiste van voorafgaande premiebetaling voldaan wanneer de werkgever wel verplicht is premie te betalen, maar het recht van de werknemer op pensioenuitkeringen niet afhankelijk mag worden gesteld van die betaling? 

En als de vrijstelling niet geldt: waarover dan btw?
In dezelfde conclusie werkt de AG ook uit wat er gebeurt als de verzekeringsvrijstelling uiteindelijk niet van toepassing is. Dan speelt de vraag wat de btw‑grondslag is: alleen de opslag uitvoeringskosten of de gehele premie. De AG sluit aan bij het oordeel dat in dat geval de maatstaf van heffing niet beperkt blijft tot een opslag, maar wordt gevormd door de volledige pensioenpremie. 

Hoe nu verder?
De Hoge Raad is niet gebonden aan de conclusie van de AG. Hij kan het advies volgen en de vraag (voorlopig) richting Luxemburg sturen, maar kan ook besluiten om zelf te oordelen. Wordt een prejudiciële vraag gesteld, dan komt een definitief antwoord dus pas nadat het Hof van Justitie (EU) uitspraak heeft gedaan. 

Wat betekent dit voor u?
De uitkomst is vooral relevant voor werkgevers en sectoren waar btw‑druk op kosten direct doorwerkt (bijvoorbeeld wanneer beperkt of geen recht op btw‑aftrek bestaat, zoals bij woningcorporaties, zorg- of onderwijsinstellingen). Het blijft daarom belangrijk om in beeld te hebben hoe uw pensioenfonds met deze onzekerheid omgaat en welke scenario’s (vrijgesteld of belast) financieel voor u kunnen betekenen.

Publiq volgt deze ontwikkeling nauwgezet. Wilt u sparren over de mogelijke impact voor uw organisatie of over de vraag welke aandachtspunten nu al praktisch relevant zijn (bijvoorbeeld richting pensioenfonds of contract-/premiesystematiek)? Neem dan contact op via uw vaste contactpersoon of via [email protected].


deel deze pagina
Naar het overzicht
  • Home
  • Nieuws
  • Btw op pensioenpremies: AG Ettema adviseert prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie (EU)